De Franse kunstenaar Huang Yong Ping werd
geboren in China in 1954. Hij groeide als zoon van een theeplanter op tijdens
de Culturele Revolutie, een tijd waarin veel van de artistieke en intellectuele
geschiedenis van China werd vernietigd of vervangen. Aan het begin van de Revolutie
werd hij tekenleraar op een middelbare school in zijn geboorteplaats Xiamen.
In 1983 exposeerde Huang Hooien (Duocao). In dit
werk, een kopie van Bastien Lepage’s Les
Foins (Hooiers) uit de 19e eeuw, kreeg de boerin een gipsen masker op haar
gezicht. Daarmee bekritiseerde Yong Ping het klakkeloos imiteren van westerse kunst. De uitstekende voet achter het schilderij lijkt te verwijzen naar het 'kaderen', het kiezen van een voorstelling of thema: de keuzes die een kunstenaar maakt.
![]() |
Jules Bastien Lepage (1877) en Huang Yong Ping (1983) - Hooien |
In zijn Niet-expressieve Schilderijen (Fei biaoda Huihua 1985) gebruikte Huang een roulette om de kleur en de compositie van zijn schilderijen te bepalen. Met zijn provocerende werk daagt hij de kijker
uit om bestaande ideeën over kunst te heroverwegen.

![]() |
Huang Yong Ping - de geschiedenis van de Chinese schilderkunst en de geschiedenis van de moderne Westerse kunst, gedurende twee minuten in de wasmachine gewassen. |
In 1989 stelde Huang ‘Een gewassen geschiedenis van de Chinese
schilderkunst en een beknopte geschiedenis van de moderne schilderkunst’ tentoon:
twee boeken die twee minuten in een wasmachine waren gewassen. Voorheen
gebruikt om ons te informeren over de geschiedenis van de kunst in China,
Europa en Amerika, werden deze boeken in dit proces vernietigd - afbeeldingen
en teksten zijn onherkenbaar geworden. Huang plaatste de papierpulp op een stuk
glas op een Chinese theedoos, traditioneel gebruikt om theebladeren vers te houden.
Hij wil ons laten nadenken over het belang van kennis van de kunstgeschiedenis.
Wij worden ook uitgenodigd om na te denken over de manieren waarop hedendaagse
kunstenaars ideeën uit verschillende culturen combineren.
Datzelfde jaar, na het bloedbad op het
Tiananmenplein op 4 juni 1989, verhuisde Huang Yong Ping naar Frankrijk en nam
deel aan een groepstentoonstelling in het Centre Pompidou. Hij woont en werkt
sinds 1990 in Parijs met de kunstenares Shen Yuan. Naast zijn werk
als schilder en beeldhouwer, maakt hij ook veel installaties. Veel van zijn
huidige werk is zo grootschalig, dat het niet in musea tentoongesteld kan
worden.
Elk concept vraagt volgens Huang om een
anti-concept, elke stijl om een anti-stijl, elke keuze om een anti-keuze. Huang
Yong Ping onderscheidt zelf vier periodes in zijn ontwikkeling:
- anti-decoratie (anti-kunstzinnige
aanstellerij) (fan xiaoshi zhuyi),
- anti-zelf-expressie en
anti-formalisme/rationalisme (fan ziwo biaoxian he xingshi zhuyi),
- anti-kunst (fan yishu), en
- anti-kunstgeschiedenis (fanyishushi).
Als tegenstander van modernistische uitgangspunten, zag Yong Ping overeenkomsten tussen het boeddhisme
en Dada: beiden stellen dat waarheid relatief is.
De ideëen en het werk van Duchamp, Beuys
en Cage zijn een belangrijke inspiratiebron voor hem. In zijn correspondentie
met andere kunstenaars en zijn publicaties bracht Yong Ping het Chinese Taoïsme,
Zen, Boedhisme, de I-Ching en westerse filosofische stromingen in verband met
Dada, Neo-Dada en Pop Art. In zijn werk wil hij meer dan alleen esthetisch
verwijzen naar cultuur en kunst. Yong Ping ziet kunst als een strategie. Veel
van zijn werk is gebaseerd op complexe filosofische theorieën, en daardoor niet
eenvoudig te interpreteren.
In 1994 maakte Huang voor het
Kröller-Müller musem de omgedraaide tombe.
Deze omgekeerde graftombe is een replica van een traditionele Chinese tombe
uit de Tang-dynastie. De onderkant is gericht op de hemel.
![]() |
Huang Yong Ping -omgedraaide graftombe 1994 |
Huang stelt -in de geest van Dada- dat
musea graftombes zijn. Door deze op de kop te plaatsen, ontkent hij het idee
van een museum als instituut. Het graf is buiten het museum voor de afdeling
met Aziatische kunst geplaatst. Daar staan grafgiften tentoongesteld, die -ooit
gestolen- van hun oorspronkelijke plaats en functie zijn beroofd. Huang Yong Ping bracht
het graf naar het museum.
In het oeuvre van Huang is ook de
positie van het individu in een geïnstitutionaliseerde samenleving onderwerp.
Deze wordt vaak gesymboliseerd door gebouwen die macht vertegenwoordigen. Zijn
werk is vaak opgebouwd rond metaforische tegenstellingen: kerk versus moskee,
Christendom naast Boeddhisme en de Islam; academische structuren tegenover
politiek; macht versus overgave.
![]() |
Huang Yong Ping - Colosseum 2007 |
Elk werk van Huang bevat doordachte reflecties over de menselijke conditie. De zeggingskracht van zijn kunst ligt in de vormen, objecten en materialen die hij bij elkaar brengt. Deze verwijzen naar de culturele, filosofische en folkloristische tradities van zowel het Oosten als het Westen. Het werk toont zijn weigering om vaststaande opvattingen over identiteit, politieke heerschappij of etnische verschillen te accepteren. Voor Huang is cultuur voortdurend in beweging, in vloeibare staat. Deze opvatting is verankerd in zijn kennis van het boeddhisme, taoïsme en de I Ching (het Boek der Veranderingen), waarvan de boodschap is dat er niet zoiets bestaat als zuivere cultuur (alles bestaat uit tegengestelde krachten). Deze inspiratie wordt weerspiegeld in Huang's toepassing van ongebruikelijke materialen en in de doordachte opstellingen van zijn installaties.
De sculpturen en installaties van Huang wortelen in de erfenis van Duchamp, Beuys, Arte Povera, en John Cage, evenals in de traditionele Chinese kunst en filosofie. Hij mengt traditionele voorwerpen of iconische beelden met verwijzingen naar onze eigentijdse cultuur. Zo nemen slangen en andere mythische dieren een opvallende plaats in. In de Chinese cultuur zijn slangen en draken symbolische wezens. Van de 130 meter lange 'Serpent d’Océan', een aluminium slangenskelet in de Loire, werd gedacht dat het een echt skelet was.
![]() |
Huang Yong Ping - serpent d'ocean |
bronnen:
- Köppel-Yang, Martina. Semiotic Warfare: A Semiotic Analysis, the Chinese
Avant-garde, 1979-1989. Hong Kong: Timezone 8, 2003.